Bisj-palen in het Tropenmuseum

Lezing Varkenssalon David van Duuren
conservator Oceani
ë KIT Amsterdam
20 januari 2008   

Dames en heren,
Zoals u nu waarschijnlijkzaal vol bisjpalen wel weet staat de centrale lichthal van het TM vol met bisj-palen. Vrijwel de gehele collectie Nederland is daar te zien: de palen zijn uit het bezit van het Tropenmuseum, het Wereldmuseum in Rotterdam en het Rijksmuseum voor Volkenkunde Leiden. De tentoonstelling staat tot 13 april en het is de eerste keer (en hoogstwaarschijnlijk ook de laatste keer) dat deze voorouderpalen of dodenpalen bij elkaar te zien zijn.
De tentoonstelling is eigenlijk uit nood geboren, alhoewel ik hem al jaren in gedachten had. Het was oorspronkelijk de bedoeling een grote tentoonstelling over te nemen van het Musée du Quai Branly in Parijs, het grote prestigemuseum van Chirac. Deze tentoonstelling met de titel D’un regard l’autre, Van de ene blik naar de andere, ging over de wederzijdse beeldvorming die het gevolg was van de Europese ontdekking van de niet-Europese wereld.

De ontdekkers en de ontdekten bekeken en beoordeelden elkaar en dat liet sporen achter, variërend van de afbeelding van nobele wilden in de westerse kunst, of juist beschrijvingen van afschuwelijke kannibalistische orgieën, tot slavernij, uitroeiing, het verzamelen van schedels voor onze wetenschap en het verzamelen en verhandelen van een grote hoeveelheid niet-westerse kunst. Alles was nogal erg esthetisch gebracht in Parijs, met presentaties van kunst op topniveau, en niet echt helemaal onze benadering.

Bovendien hingen er peperdure, kostbare bruiklenen die niet doorgebruikleend
konden worden, zoals werken van 20e eeuwse avant-garde schilders, Picasso, Gaugain die zich hadden laten beïnvloeden door de zgn. primitieve kunst of door exotische verten. Hoe dan ook: de overname van deze tentoonstelling ging om verschillende redenen niet door. Wat nu? Want ieder jaar moet die lichthal vol met een grote, tijdelijke tentoonstelling, onze jaarlijkse hoofdtentoonstelling
 

Te voorschijn toveren
En zo kwam het oude plan weer boven water:grote hoeveelheid bisjpalen bijeen alle bisjpalen uit Nederlands museaal bezit maar eens op de vloer, met de wetenschap dat dat alleen in het Tropenmuseum mogelijk was.  De musea in Rotterdam en Leiden missen nu eenmaal een grote hoge zaal om zoiets te kunnen realiseren. Dus Amsterdam was de enige mogelijkheid. Toen ik met mijn plan naar voren kwam werd ik een beetje voor gek verklaard. Jongen dat doen ze nooit, die andere twee musea, al die enorme Bisjpalen uit de depots te voorschijn toveren voor een tijdelijke tentoonstelling. Een soort “mission impossible”. Maar niemand in Rotterdam en Leiden hoefde overtuigd of omgepraat te worden. Men ging zonder gedoe akkoord, zelfs toen er in Rotterdam een muurtje gesloopt moest worden om een paal van meer dan twaalf meter naar buiten te kunnen krijgen. Natuurlijk was het transport spectaculair: voor een paar kranten was het voorpaginanieuws, met foto’s van de lange kisten die door de mannen naar binnen werden gedragen.
 

Bij elkaar
En nu staan ze dan voor het eerst bij elkaar. Het was voor mij net zo’n verrassing als voor iedere willekeurige museumbezoeker. Van elkaar wisten de drie betrokken musea dat er tientallen bisjpalen in de depots lagen maar niemand had ze ooit geteld. Ik had ze ook nooit gezien, ja, natuurlijk wel liggend op de vloer van de depots of vastgebonden aan wanden of stellages, ingepakt in bubbeltjesplastic, maar nooit in volle glorie. We zijn dus gaan inventariseren en kwamen op 57.

De tentoonstelling bood een mooie kans voor een grondige inspectie, want de vraag was in welke conditie de palen zich zouden bevinden na een halve eeuw: misschien waren ze wel sterk ingedroogd en ernstig gescheurd of gebarsten. En hoe was het gesteld met de pigmenten waarmee ze gekleurd waren. Het gaat immers om gebrande oker, roet en gemalen schelpenkalk die niet gefixeerd zijn en gemakkelijk loslaten. Maar het viel allemaal reuze mee: iedere paal is duchtig onderhanden genomen en schoongemaakt en  gerestaureerd waar nodig. En zijn nu eindelijk allemaal gefotografeerd, voor veel  palen was dit hun eerste foto, en in een catalogus gepubliceerd.

Klank- en lichtspel
De bisjpalen voor hetwoud van bisjpalen in Tropenmuseum eerst bij elkaar brengen, ze vertikaal zetten en het woud zien groeien in de centrale ruimte van het TM was een avontuur op zich. Ze zijn geplaatst op kleine platforms, gerangschikt op herkomst of uiterlijke kenmerken. Er is een klank- en lichtspel ontworpen. De belichting verandert voordurend, nu wordt weer eens het hele woud verlicht en dan glijdt er weer een strijklicht voorbij en wordt de aandacht gericht op specifieke details. Ook wordt de ruimte gevuld met geluiden: het sjirpen van cicaden, het hakken van een bijl in het hout, het geplens van roeispanen. Videofilm en bijbehorende geluiden, waaronder scherpe kreten, moeten de bezoeker een ‘ervaring’ geven, vooral over het opgewonden en feestelijke aspect van het ritueel waarvan de palen het middelpunt vormen.
 


Verhalen over de palen
Een ander doel van de tentoonstelling is om het publiek te laten kennismaken met de verschillende verhalen die over deze palen verteld kunnen worden. Het is meer dan alleen ‘alle Bisjpalen van de Asmat bij elkaar in het Tropenmuseum’ . Een conservator bekijkt de collectie vanuit zijn kennis van wat er zoal in de depots van de volkenkundige musea wordt bewaard, hoe de Bisjpalen hier gekomen zijn en waarom de tentoonstelling op de vloer is gekomen. Een kunsthistorica, gespecialiseerd in de kunst en cultuur van Oceanië bekijkt de palen vanuit haar standpunt en is vooral geïnteresseerd in de iconografie en symbolen van de palen. Missionarissen die er het christendom hebben gebracht kijken geheel anders tegen bisj-rituelen aan.
En dan natuurlijk de Asmat zelf.

Twee Nederlandse filmers, Jan Dietvorst en Roy Villevoye, zijn voor ons afgelopen september naar de Asmat gegaan met een serie foto’s van het bisj-ritueel en de palen en hebben de mannen gevraagd om hun commentaar te geven. En zo geeft Nancy Jouwe haar visie op de tentoonstelling als zijnde een partijtje cultureel erfgoed. Tijs Goldschmidt, de bekende bioloog, vertelt over zijn persoonlijke ervaringen. Kortom: ze worden ook door de verhalen die worden verteld veelzijdig belicht en niet meer eenzijdig, zoals vroeger in volkenkundige musea gebruikelijk was. Toen volstond enkel de omschrijving: geestenpaal-Asmat-Nederlands-Nieuw Guinea.

Collectiegeschiedenis
Mensen stellen vragen en veel van die vragen zijn onder onderdeel van een bisjpaalde algemene noemer te brengen: “Hoe komen jullie aan al die spullen”? Tweede vraag is: Waarom zo veel?.De Asmat waren nog tot de jaren vijftig, begin jaren zestig koppensnellers. En de bisjpalen stonden in nauw verband met deze praktijken. De op de palen afgebeelde figuren waren slachtoffers van snelpraktijken die gewroken moesten worden en wier zielen definitief naar het dodenrijk moesten worden doorverwezen. De rituelen genereerden weer nieuwe sneltochten en dat ging zo maar door. Natuurlijk deed het Nederlandse gouvernement het koppensnellen in de ban, het gebied moest gepacificeerd worden. Dat gebeurde pas in de jaren vijftig, daarvoor had men weinig interesse getoond in dat onherbergzame gebied.Maar het verbieden van koppensnellen zou zeer waarschijnlijk betekenen dat de bijbehorende riten en kunstuitingen als sneeuw voor de zon zouden verdwijnen. Althans: dat vreesden de Nederlandse musea. En dat terwijl deze kunst zo uniek was, zelfs in het aan tribale kunst zo rijke Nieuw-Guinea.

Bisjpalen werden aangeschaft door antropologen, bestuursambtenaren, militairen (zo hebben we er een die jarenlang in een officiersmess in Den Helder stond), medewerkers van een bouwbedrijf. Maar een groot aantal is aangeschaft door de beroepsverzamelaar Carel Groenevelt die in opdracht van het Tropenmuseum en het Museum voor Land- en Volkenkunde ter plaatse rechtstreeks voor de museumcollecties verzamelde. In de jaren vijftig en begin jaren zestig zijn 34 palen door hem aangeschaft, en eigenlijk nog meer want in een paar Duitse musea staan bisjpalen die weer geruild zijn met Nederlandse musea. Het was echt een Nederlandse aangelegenheid. 

Vermissing Michael Rockefeller
Dat veranderde toenMichael Rockefeller met jonge Papua Michael Rockefeller in 1961 in het gebied spoorloos verdween. Het werd wereldnieuws en de naam Asmat werd bijna gemeengoed. Rockefeller verzamelde voor het Museum of Primitive Art in New York, maar twee Bisjpalen werden door zijn ouders - zijn vader Nelson Rockefeller was een tijdje vice-president van Amerika – geschonken aan Leiden uit dank voor de medewerking van het Nederlandse bestuur tijdens de zoektocht naar zijn zoon.
En toen ontdekte de handel en de kunstmarkt het snijwerk van de Asmat. Hoewel de Indonesische regering vanaf 1963 de traditionele ceremonies en de bijbehorende kunst verbood. Maar het snijwerk ging door en het bisj-ritueel wordt weer opgevoerd. Er zijn moderne ontwikkelingen. De meer recente palen zijn duidelijk te herkennen: ze zitten ingewikkelder in elkaar en er worden dieren afgebeeld, zoals slangen en krokodillen, die je vroeger niet zag.  

De Bisjpalen zelf
De klassieke bisjpaal bestaat eigenlijk uit enkele op elkaar staande, recht voor zich uit staande beelden. Het zijn de afbeeldingen van overledenen, vroeger de slachtoffers van een overval door koppensnellers, die gewroken moeten worden en wier geesten daarna voorgoed verhuizen naar het land der doden. De bisjpaal is genoemd naar de bisj-cyclus, het dodenfeest. De paal wordt gesneden uit de snelgroeiende wilde nootmuskaatboom, die een speciale geur schijnt af te geven. De Asmat zijn ervan overtuigd dat de vooroudergeesten een goede neus hebben en dat de geur van de boom wijst op een vroeger leven als mens. Als de bast wordt verwijderd komt er een bloedrood sap vrij en dat is ook weer zo’n kenmerk die deze boom zeer geschikt maakt als basismateriaal voor een voorouderpaal. 

Omgekeerd uitgesneden
De nootmuskaatbomen groeien de tsjémen van bisjpaalin de moerassige mangrovebossen en hun wortels lijken op planken. De boom wordt omgekapt en alle plankwortels worden verwijderd op een na. Als de boom in een latere fase verandert in een voorouderpaal dat wordt hij dus omgekeerd uitgesneden. De plankwortel komt aan de bovenzijde en steekt uit het lichaam van de bovenste figuur. Dit uitsteeksel wordt tsjemen genoemd, wat penis betekent en het spreekt dus vanzelf dat het bovenste beeld altijd de voorstelling van een man. Vrouwen komen ook op de Bisjpalen voor, maar nooit als bovenste beeld. De tsjemen is altijd voorzien van snijwerk waarop abstracte symbolen zijn te zien die de voorouders in het algemeen voorstellen. De paal eindigt in een punt, die ook de vorm kan hebben van een kano, een dodenschip die de overledenen naar safan brengen, de dodenwereld of de wereld der voorouders aan de andere kant van de zee. Er is een hypothese dat de paal ooit een kano was en dat de voorstevenversiering belangrijker geworden is dan de kano zelf.

Pater Zegwaard, de eerste Nederlander die zich in het gebied vestigde meldt in een publicatie dat hij eens een bisjpaal zag liggen, in het dorp Biwar, met naast het kleine kanogedeelte links en rechts een mannen- en een vrouwenroeispaan. Een ander argument is dat aan de Casuarinenkust, de palen voor het mannenhuis worden opgesteld op een schuine stellage aan de oever van een rivier die naar de voorouderlijke wereld leidt. En de plaats tussen het mannenhuis, waar de wereld van de levenden en de doden elkaar raken, en de rivier is ook de plaats waar de doden worden begraven. 

Levenskracht
Wat het bisjfeest betreft: bij de Asmat draaide alles om levenskracht. Volgens de traditie zou die geconcentreerd zijn in de schedel. Het menselijk bestaan is een bundeling van levenskracht. Dat wil zeggen dat een dorp des te welichtspellvarender is als het veel levenskracht in zich bergt. Als de totale levenskracht nu afneemt, bijv. omdat veel belangrijke mensen doodgaan of sneuvelen, dan breekt er in een dorp paniek uit. Want dood betekent verlies aan levenskracht. De gedachte is dat hoe meer schedels men tijdens een sneltocht verzamelt des te meer levenskracht het oplevert voor het dorp. Als de situatie dus kritiek wordt kan men overgaan tot het organiseren van een bisjfeest waaraan meerdere verwantengroepen zullen meedoen en de wraakverplichting op zich nemen.
 

Als dus eenmaal is besloten een bisj-feest te houden en de mannen zijn vertrokken naar het bos om een boom uit te zoeken, leggen de vrouwen beslag op het mannenhuis. Ze dansen, zingen en trommelen. In het bos selecteren de mannen een boom en besluipen hem alsof ze een vijand benaderen. Het ritueel van het vellen van een boom heeft veel gemeen met het afslaan van een hoofd tijdens een sneltocht. Als de boom neerstort wordt dit met een luid gegil ontvangen. Men raast en tiert alsof men een vijand heeft neergelegd. De stam van de boom wordt geschild. Er druipt rood sap uit; de boom bloedt. Het is dus niet toevallig dat voor deze boomsoort is gekozen. 

Angstaanjagend geluid
Wanneer de mannen terugkeren met de boom, staan de vrouwen hen op te wachten. Zodra de mannen gesignaleerd worden, grijpen de vrouwen naar alles wat hen maar tot wapen kan dienen. Ze rennen naar de oever en ze scanderen dat ze niets met de terugkerende mannen te maken willen hebben. Om deze woorden kracht bij te zetten, werpen ze met hun handen zwarte as in de lucht, bij de Asmat een teken van machtsvertoon (Cook!). De mannen die deze vertoning aanzien slaan ze met kracht met hun peddels tegen de boorden van de prauwen om zo een angstaanjagend geluid te produceren. En als de mannen dan aan wal gaan worden ze belaagd door de gewapende vrouwen. Het is natuurlijk een schijngevecht, maar soms vallen er rake klappen. Het einde is dat de vrouwen terugkeren naar hun huizen.
 

Het snijproces
Als men aan de palen begint somt eerst de oorlogsleider plechtigmooi overzicht bisj-palen zijn heldendaden op. Hij is de eerste die in de boom hakt. Daarna brengen de mannen de bomen in het mannenhuis waar de vrouwen nu dus verdwenen zijn. Daarna gaan de kunstenaars aan de slag in een afgeschutte ruimte. Vrouwen en kinderen mogen het snijproces niet zien, het is echt taboe.
De voltooiing van de bisjpaal valt samen met het einde van het bisj-feest. De mannen gaan voor een aantal dagen er op uit en verzamelen sagolarven die ze bij het mannenhuis afleveren. Dan kunnen de voltooide palen naar buiten en worden voor het mannenhuis opgesteld. De kern van wat er dan gebeurt is dat de geesten zien dat er genoeg mensen zijn die hun plaats in kunnen nemen, dat ze niet langer meer in en rondom de mensengemeenschap hoeven te toeven en dat ze kunnen vertrekken naar hun definitieve eindbestemming. De palen staan dus in het middelpunt van de belangstelling.

Na afloop van het feest worden de bisjpalen neergehaald en naar het sagobos gedragen waar ze de vruchtbaarheid van de grond verhogen door weg te rotten. Zo worden de sagobomen met de rijkdom en kracht van de geesten doordrongen. 

Tegenwoordig worden de palen bewaard om ze later aan verzamelaars en musea te kunnen verkopen.