‘Papua’s in Diaspora’

Mondelinge geschiedenis van Papua’s

Varkenssalon Utrecht, 11 oktober 2009


Varkenssalon over de mondelinge geschiedenis van Papua’s met bijdragen van Anke Kamerman (coördinator/interviewer mondeling geschiedenis project PACE), Albitha Wambrauw (interviewer PACE) en Ron Habiboe (interviewer voor gelijksoortig project 'Getuigen Verhalen' van Museum Maluku)

Nancy opent de VarkenssalonHet mondelinge geschiedenis project

PACE is het mondeling geschiedenis project gestart om tegemoet te komen aan de groeiende behoefte onder Papua’s zelf, zowel in Nederland als in Papua, om de eigen verhalen op te (laten) tekenen. Dankzij financiering van het ministerie van VWS is daadwerkelijk aan de slag gegaan hiermee in de periode 2008-2009. Er zijn 25 mensen geïnterviewd, waarbij een groot aantal de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt en in Nederlands Nieuw-Guinea heeft gewoond en gewerkt. Het gaat om 21 Papua’s, twee Molukkers, één Toegoenees en één Nederlandse. In totaal hebben Anke Kamerman, Albitha Wambrauw en Nico Jouwe 31 interviews afgenomen, 70 uur interviewtijd op audio vastgelegd en van elke geïnterviewde is een foto gemaakt. Vier interviews zijn op beeld vastgelegd.

Anke Kamerman

Anke Kamerman was eerste sprekerDe eerste spreker, Anke Kamerman, vertelt: “De geïnterviewden vertelden over hun ervaringen in de Tweede Wereldoorlog, hun kinder- en hun schooltijd, hun tradities, hun leven als volwassene en hun migratiegeschiedenis. Daar is een schat aan informatie uitgekomen. Wat voor Papua’s, voor PACE en voor allen die belangstelling hebben voor het onderwerp belangrijk is, is dat de informatie kan worden teruggevonden. Voor elk interview geldt dat de opnames, de transcriptie en de trefwoorden op twee locaties ingezien kunnen worden. Bij PACE en bij het archief van het project Erfgoed van de Oorlog, wat is ondergebracht bij Data Network Services (DANS), een afdeling van de Nederlandse Academie voor Wetenschappen. Of het betreffende interview toegankelijk is of maar gedeeltelijk of pas op een later tijdstip, is afhankelijk van het soort toestemming dat de geïnterviewde heeft gegeven.”

De interviews

“PACE is het mondelinge geschiedenis project gestart omdat kennis van tradities verhalen en geschiedenis verloren dreigen te gaan. Mevrouw Van der Velden-Gebse laat zien hoe een wieg aan het hoofd gedragen kan worden. De wieg is afkomstig Mevrouw Van der Velden vertelt over een wieg van haar stam in het zuiden van Papua, uit de omgeving van Merauke. Ze is een Marind Anim. Ze weet dat de versierselen op de wieg iets betekenen, maar ze weet niet meer wat. Ze is op heel jonge leeftijd naar een internaat gegaan en ze heeft haar ouders daarna 16 jaar niet meer gezien. Ze kon, zoals ze zelf zei niet eens sago kloppen. De interviews vertellen ons wat de ervaringen zijn van de Tweede Wereldoorlog, de kindertijd, de tradities, het leven als volwassene en de migratiegeschiedenis.

De Tweede Wereldoorlog heeft invloed uitgeoefend op het gevoel van ‘nation building’, het gevoel een Papua te zijn, omdat Nieuw-Guinea door de Tweede Wereldoorlog directer betrokken raakte met de wereldgeschiedenis en Papua’s ineens een gemeenschappelijke vijand kregen en een massamoord meemaakten die ze nooit eerder hadden meegemaakt. Vooral kinderen en jong volwassenen die lezen en schrijven en geschiedenis hadden geleerd, deelden deze ervaring volgens meneer Kereway”, aldus de projectcoördinator.

Geen communicatiemiddelen

Het is in de interviews volgens Anke kenmerkend dat berichten over de oorlog mondeling, door Dick Kereway doet zijn relaaspassanten worden overgebracht. “Communicatiemiddelen ontbreken. Men heeft geen radio of krant, als de Papua’s al kon lezen. Het land is onherbergzaam wat de communicatie bemoeilijkt en de zendelingen met radio, en radiocontact vormen vaak de enige contacten met de buitenwereld en zij zijn weggevoerd. Bovendien ontbreekt een geschiedenis waar de oorlog in geplaatst kan worden. Papua’s weten dat het oorlog is en daar houdt het meestal mee op. Soms is het zelfs onduidelijk wie de vijand is. Ook gingen de ontwikkelingen te snel, zoals mevrouw Wambrauw het uitdrukt: eerst de bekering tot het christendom, toen de Tweede Wereldoorlog en de Koreri-beweging met name op Biak, toen de ‘papoeaisering’, dat wil zeggen dat Papua’s belangrijke functies gingen vervullen bijvoorbeeld in bestuur en onderwijs. Daarbij kwam het streven naar onafhankelijkheid, toen het vertrek van de Nederlanders en tenslotte de overname door de Indonesiërs.”

Interviewfragmenten

Tot slot laat Anke een vijftal interviewfragmenten horen. “Het eerste fragment is van Ori Hokujoku. Hij is geboren op een eilandje in het Sentani-meer. Zijn vader en moeder hadden beide geen lagere school. Zelf heeft hij gymnasium afgemaakt en theologie gestudeerd. Hij vertelt hoe hij en zijn ouders tegen de oorlog aankeken en brengt zo verschillen in beleving van de oorlog tussen jong en oud onder woorden. In het tweede fragment komt Cathy van der Velden-Gebse aan het woord. Zij werd als Marind Anim geborenmevrouw.De Reus vertelt zeer beeldend over Sorong in de omgeving van Merauke." Anke koos dit fragment omdat over de situatie in Merauke, dat nooit bezet is geweest tijdens de oorlog, praktisch niets bekend is. "In fragment nummer drie zie je tijdens het vertellen van het verhaal een beeld op je netvlies verschijnen, uiterst waardevol als foto’s en films ontbreken. Beeldend kunstenares Barbara de Reus-Kamma, geboren op Biak als dochter van beroemde dominee Freerk Kamma, die in 1931 als zendeling en leraar naar Nieuw-Guinea vertrok, vertelt over Sorong na het bombardement." Het volgende fragment heeft Anke gekozen, omdat een verschijnsel illustreert wat specifiek is voor de Tweede Wereldoorlog in de Pacific. "Overblijfselen van de oorlog, zoals stoffelijke resten, worden niet opgeruimd. Tot op de dag van vandaag zijn de vliegtuigwrakken in het landschap zichtbaar. Hierbij het relaas van Dick Kereway. geboren op het eiland Roon. Hij vertelt over de voettocht die hij met zijn familie naar Idore ondernam waar zijn vader als guru ging werken. In het laatste fragment wordt het diepe leed van Alex Kipuw uit de Geelvinkbaai voelbaar. Iets wat niet anders dan hoorbaar of zichtbaar overgeleverd kan worden. Mijnheer Kipuw is voor zijn opleiding in Makassar als de oorlog uitbreekt. Alle contact met zijn familie is afgesneden en communicatiemiddelen ontbreken.”
Twee kanttekeningen bij de interviews: de ervaringen van de oorlog zijn die van kinderen en het zijn persoonlijke herinneringen. “Ik heb maar een tipje van de sluier kunnen laten zien,” zo besluit Anke haar bijdrage.

Albitha Wambrauw

Albitha Wambrauw begint haar verhaal met enkele persoonlijke ervaringen en gaat daarna in op een aantal migratieverhalen; de verhalen over hoeAlbitha gaat in op migratieverhalen ‘ooms’ en ‘tantes’ naar Nederland zijn gekomen. “In tegenstelling tot Anke ben ik tweede generatie Papua. Weliswaar in Nederland geboren en getogen, maar ik maak dus deel uit van onze gemeenschap hier in Nederland. Kortom ken ik bijna iedereen en is dit laatstgenoemde nou een voordeel of niet en hoe ga je daarmee om? Dat heb ik me afgevraagd toen ik hieraan begon. Ik heb er bewust voor gekozen om bepaalde mensen die dichtbij mij staan niet te interviewen. Tante Doortje Westerbaan, die er overigens nu niet bij is, vertelde mij hoe belangrijk het geloof voor haar is. Ook in haar jonge jaren. Voor mij was dat de reden om te vragen wanneer zij sidi (belijdenis) deed en wat dat voor haar betekende. Aan de hand van een zwart/ wit foto van haar sidi op de ODO in Seroei leverde dat een mooi verhaal op. Oom Eddy Korwa, die zoon van een guru (onderwijzer) is, vertelde juist dat hij als enige van het gezin Korwa geen sidi had gedaan door omstandigheden en dat is toch opmerkelijk! Als kind van een guru heb je misschien toch wel een bepaalde voorbeeldfunctie.” Albitha merkte ook wel eens dat de geïnterviewde het vreemd vond dat zij bepaalde vragen stelde. “Ik had een beetje het idee dat ik naar de bekende weg aan het vragen was.

Kampong Sawendi

“Tante Corry Ap vond het volgens mij vreemd toen ikVeel thema's passeren de revue vroeg hoe de kampong Sawendi er uit zag, omdat ik daar toch wel eens geweest was. Dan is het natuurlijk zaak om uit te leggen dat ik als interviewer dit soort dingen toch moet vragen, omdat het belangrijk voor het verhaal is. Veel thema’s zijn de revue gepasseerd: de Tweede Wereldoorlog, de reis naar Nederland, de rol van de zending en de missie, de politieke situatie, de OPM maar ook verboden liefdes. Oom Dolf Tompoh vertelde over zijn omstreden relatie met een Nederlandse onderwijzeres, wat absoluut niet kon in die tijd. Zij werd naar Nederland gestuurd en hij reisde haar achterna. Zijn vader, opa Tompoh, was een vel tegenstander van de zending en dat had tot gevolg dat oom Dolf op een missieschool heeft gezeten en niet op een zendingsinternaat, zoals de meesten. Tante Doortje vertelde dat ze in een Japans interneringskamp is geboren. Terwijl haar ouders overdag voor de Japanners moesten werken, werd er door de militairen op tante Doortje en de andere kinderen gepast”, aldus Albitha.

Het persoonlijke migratieverhaal

“Naast dat ik Papua ben, ben ik in het dagelijks leven journalist”, vervolgt Albitha. “Aan de ene kant kon ik bepaalde vaardigheden en gesprekstechnieken goed gebruiken, maar aan de andere kant is journalistiek interviewen totaal iets anders dan dit soort mondelinge geschiedenis interviews. Een van de onderwerpen die tijdens elk interview aan bod kwam is het persoonlijke migratieverhaal: Hoe zijn de ‘ooms’ en ‘tantes’ in Nederland terecht gekomen? En dat loopt nogal uiteen. Sommigen kwamen voor de overdracht, anderen kort daarna, maar ook in de jaren 80 en de jaren negentig kwamen er nog Papua’s naar Nederland om zich hier te vestigen. Elk met hun eigen reden: studie, vluchten vanwege de politiek, maar ook de liefde; gezinsvereniging en gezinshereniging”, zo legt Albitha uit.


Interviewfragmenten

Albitha laat twee fragmenten horen. Eerst tante Lea Kereway-Pawda. “Zij vertrok met het Zuiderkruis vanuit Hollandia samen met Renate de Reus naar Nederland om hier naar school te gaan. Een verhaal dat voor velen van onze publiek heeft veel aandachtouders geldt. Ze vertelt bijna vanuit een bepaalde vanzelfsprekendheid dat ze van de ene op de andere dag naar Nederland vertrok en daardoor alles en iedereen achter liet. Het tweede verhaal is eigenlijk een spannend jongensboek met in de hoofdrol twee Papua-jongens: oom Eddy Korwa en oom Toni Rumpaisum, die in 1964 besluiten om als verstekeling mee te gaan aan boord van een schip van de Rotterdams Lloyd. Oom Ed vertelt ook wat hij bij zich had en hoe hij dat meegesmokkeld had.”


“Ik hoop dat ik u een indruk heb kunnen geven wat er ondermeer besproken is”, verklaart de interviewster. “Welke keuzes hebben onze ouders moeten maken toen ze naar Nederland kwamen?  Hoe gingen ze in Nederland verder en wat gaven ze van die bagage mee aan ons als kinderen en kleinkinderen? Voor mij was de voornaamste reden om mee te doen dat er nu eindelijk Papua’s aan het woord zijn geweest over hun eigen persoonlijke geschiedenis. Ik hoop dat u het met mij eens bent dit  project een begin is van een open bron die in eerste instantie van onschatbare waarde kan zijn voor ons als Papua gemeenschap nu en in de toekomst”, aldus Albitha.

Ron Habiboe

Ron belicht Molukse sitiatieRon Habiboe, die voor het Museum Maluku interviews doet met eerste generatie Molukkers in Nederland en Molukkers in de Molukken zelf over hun oorlogsherinneringen, maakt in zijn bijdrage een vergelijking tussen de Papua- en de Molukse situatie. Toen hij geschiedenis studeerde in Leiden stond deze studie, zoals hij het zelf uitdrukt, nog in het licht van de bestudering van het verleden aan de hand van geschreven bronnen (geschiedenis) versus archeologie (oudheidkunde; stoffelijke overblijfselen).


“Er werd over mondelinge geschiedenis nagenoeg niet gesproken omdat het bronmateriaal niet als serieus historisch werd beschouwd. Echter veel culturen hebben geen schriftelijke traditie, maar een mondelinge traditie, een mondelinge overlevering. Als mondelinge geschiedenis binnen de wetenschappelijke wereld niet als serieus beschouwd zou worden, zouden wij met een mondelinge traditie nagenoeg geen geschiedenis hebben. Bovendien heeft veel van wat is geschreven ooit een mondelinge vorm gekend. Vanaf de jaren 80 is Oral History in Nederland steeds meer een populaire en bloeiende tak van wetenschap geworden”, aldus Ron.


Anak Maluku budak Nederland“Op de Molukken worden verhalen overgeleverd zoals stamreeksen in verband met erfelijke rechten, speciale historische gebeurtenissen, special events (stichting van het dorp, clans, oorlogen, helden, etc) en levensverhalen. Dat gebeurt via gesproken, gereciteerde tekst bij speciale gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld pela (individuele relatie) en door kapata (liedjes tijdens roeien, bij volksfeesten of bij optrekken in een oorlog). Een voorbeeld is dat volgens een oude Nederlandse bron over de 17de eeuw de naam Ambon afkomstig zou zijn van het plaatsje Kailolo op het eiland Haruku, een buureiland van Ambon. De verhalen worden verteld door speciale vertellers (afhankelijk van het verhaal: bangsa raja, tuan tanah of de familie- of clanoudste). Wij kunnen dus wel zeggen dat wij ook eigen geschiedenis hebben”, benadrukt Ron.

De naam Ambon

Jonker krijgt het aan de stok met VOC De spreker laat twee fragmenten horen. Het eerste gaat over de naam van het eiland Ambon. In de 17e eeuw had de VOC een Molukse voorvechter in dienst van haar leger, die na verschillende successen voor de VOC op Java uiteindelijk te veel macht kreeg, kapitein Jonker. Een en ander leidde tot een gewelddadige confrontatie tussen Jonker en de VOC. Jonker, in de ogen van veel Molukkers een Molukse held, moest het onderspit delven. In het fragment wordt verteld dat het eiland Ambon vroeger de naam had van Sai Guru en dat Jonker een buitengewoon hoge rang bij de VOC had bereikt, die van Kapitan. De opa van de verteller bracht het niet verder dan adjudant, de hoogste onderofficierenrang. Na het onderspit van Jonker kreeg het eiland Sai Guru de naam Ambon, de afkorting van : Molukkers zijn slaven van Nederland.


Het tweede fragment betreft de naam van het dorp Hila op Ambon. In de strijd tussen de VOC en de bevolking op Ambon in de 17de eeuw gelukte het enkele Molukse voorvechters om de dochter van een Hollandse admiraal, Steven van den Berg, te ontvoeren. Deze dochter Nurlina, huwt met de Ambonese voorvechter Telukabesi. In het fragment wordt verteld dat Nurlina als christen aan de islamitische Telukabesi vraagt om een kerk te bouwen. Dit gebeurde in het Ambonse dorp enkele kilometers verderop. Toen de Hollandse admiraal op zoek naar zijn dochter terecht kwam in het betreffende dorp vluchtte Telukabesi. Vanaf dat moment heet het dorp Hila, de afkorting van Hadji lari, de islamitische hadji (Telukabesi) vlucht.

Project Getuigen Verhalen

luisteren naar interviewfragmenten  “Vanaf juli 2008 hebben wij ruim 45 interviews afgenomen met Molukkers in Nederland, in de Molukken en elders in Indonesië. Wij hebben de ervaringen van deze personen tijdens de Tweede Wereldoorlog geregistreerd. De Molukse gemeenschap in Nederland wordt gedomineerd door christelijk Molukkers van Ambon en de naburige eilanden. Molukse minderheden in Nederland zijn moslims en zij die afkomstig zijn uit de meer zuidelijke Kei-archipel en naburige eilanden. De houding van de christelijke Ambonezen tijdens de Tweede Wereldoorlog was, althans van de Molukkers die uiteindelijk in Nederland zijn terecht gekomen, een zeer loyale trouw aan de Nederlands vlag en het koningshuis, dus anti-Japans. Hun ervaringen zijn veelal gedwongen tewerkstelling en gevangenschap. Vrouwen moesten oppassen voor Japanners. Nieuwe inzichten zijn dat sommige Molukkers vrijwillig samenwerkten met Japanners en dat er ook vrijwillig sociaal verkeer was , zoals het samenleven van een vrouw met een Japanner, tegenover Ona-Ona (vrouwen gedwongen tot prostitutie).”


Ter illustratie laat Ron een fragment van een interview uit het project horen. “Het betreft een vrouw uit Kei die omgang had met een Japanse soldaat die bij hun dorp was gelegerd. Om eventuele moeilijkheden te voorkomen trouwt de soldaat met de vrouw. Het fragment begint met de vrouw die vertelt dat de Japanse soldaat haar vader bezoekt om haar ten huwelijk te vragen. Maar de soldaat spreekt geen Indonesisch. De vader stemt toe, in het Japans: djoto. "Dus ben ik getrouwd met die Japanse man", zo vertelt de vrouw. Als haar wordt gevraagd of haar huwelijk destijds door een soldaat afgedwongen is, antwoordt ze: “nee, hij heeft mij toch officieel ten huwelijk gevraagd?” Na het huwelijk vluchtte zij het bos in omdat zij in verwachting was van haar kind. Toen de Japanners capituleerden, wisten zij en haar moeder niets. De Japanse soldaat kwam in zijn eentje naar hen toe. Het kind was nog slechts een week oud. "De Japanse soldaat bracht etenswaren, wasmiddelen, samen een kain vol. Toen pakte hij het kleine kind op en gaf het kind de naam, Josiko." Hij noemde zijn vrouw Oriri. "Haar vaders naam is Osako. Dat is het verhaal dat je kunt meenemen naar huis," aldus de vrouw.


Ron vertelt dat er nog wordt gewerkt aan de transcripties en vertalingen van de interviews. Volgens planning moet het Molukse project volgend jaar april gereed zijn. “Hopelijk zullen de interviews bijdragen aan een breder zicht op de Molukse geschiedenis.”

Discussie

aandacht voor discussie In het tweede deel van de Varkenssalon leidt Nancy Jouwe de discussie tussen sprekers en publiek. De geïnterviewden geven aan blij te zijn dat hun geschiedenis voor volgende generaties is vastgelegd. Ook vinden ze het belangrijk dat jonge Papua’s hierbij betrokken zijn. Er wordt door een geïnterviewde aangegeven dat zij het best ‘eng’ vond, al die vragen, anderen geven aan persoonlijk te zijn geraakt. Maar allen vinden het fijn dat de verhalen nu gedeeld kunnen worden met nieuwe generaties Papua’s. Een project als deze brengt ook gevoeligheden naar boven. Niet iedereen wil meedoen in de Nederlandse Papua-gemeenschap omdat er nog vanuit bepaalde politieke kampen of clans wordt gedacht. De aanwezigen vinden dat vooral jammer. Voor het eerst zijn er specifiek oorlogsherinneringen van Papua’s vastgelegd dankzij de subsidie voor dit project. Deze verhalen zouden anders zeker verloren zijn gegaan. Voor PACE was het tevens belangrijk om ook het leven in Nederlands Nieuw-Guinea en de migratieverhalen van Papua’s vast te leggen.

Samenwerking

conclussie: samen sta je sterkerEen van de geïnterviewden vraagt zich af waarom er samengewerkt wordt met de Molukse groep: het gaat toch om Papua-erfgoed? Nancy geeft aan dat het merendeel van het PACE werk niet direct gelinkt is aan de Molukse situatie. Maar er zijn meerdere redenen waarom er ook uitwisseling plaatsvindt. Ten eerste hebben de beide interview-teams tips en ervaringen uitgewisseld tijdens het mondelinge geschiedenis project. Maar er zijn ook sterke historische banden tussen Molukkers en Papua’s, bijvoorbeeld omdat de Molukkers een duidelijke aanwezigheid hadden en rol speelden tijdens de actieve periode in Nederlands Nieuw-Guinea (’49-’62), als guru, predikant, soldaat en als inwoner van het gebied. Hetzelfde geldt in feite voor de Nederlanders, ook zij speelden een duidelijke en dominante rol in Nederlands Nieuw-Guinea, dus ook zij worden betrokken bij het Papua-erfgoed verhaal. Vanuit de zaal wordt toegevoegd dat het strategisch ook soms beter is: samen sta je sterker.